Belgische bedrijven: alles moet weg

11 July 2019
Belgische bedrijven: alles moet weg

Belgische bedrijven zijn blijkbaar gegeerd bij zowel Amerikaanse als Chinese overnemers. Er is wel een groot verschil tussen de Amerikaanse en Chinese targets. Terwijl Amerikaanse fondsen vooral oog hebben voor bedrijven met groeipotentieel, scale-ups, hebben Chinezen een uitgesproken voorkeur voor tangibles.

Chinese overnemers hebben het gemunt op hardware. Auto-industrie, satellieten, voeding en immobiliën zijn hun geliefkoosde prooien. Publieke Chinese bedrijven worden daarbij een handje geholpen doordat zij goedkoper en meer kunnen lenen dan private bedrijven: tot twee procent goedkoper en een kredietbedrag dat 73 procent hoger ligt, berekend in verhouding tot de omzet (Favoritism toward China’s Former, State-Owned Enterprises, NBER, March 2019). Laat ons de Chinese voorkeur illustreren met enkele voorbeelden.

Tangibles in Chinese handen

Volvo Cars is in Chinese handen. De auto-industrie behoort weliswaar tot the ‘old’ economy, maar vergeet niet dat bedrijven als Volvo al jarenlang aan de top van de innovatie staan en uiterst productief zijn. Elke 54 seconden – u leest het goed: seconden – rolt er een Volvo van de band in Gent. Punch Powertrain, de fabrikant van automatische versnellingsbakken, is in handen van de Chinese industriële groep YinYi. Thunder Power, een andere Chinese gigant, gaat in Gosselies een onderzoekscentrum en productielijn opstarten voor elektrische wagens, bedoeld voor de Europese markt. Brouwerij Martens is een uiterst innovatief familiebedrijf, gesticht in 1758. Het bedrijf werkt met de meest geavanceerde brouwtechnieken en beschikt over een knowhow die je in China niet vindt. Voor het vastgoed van Waasland en Wijnegem Shopping had de Chinese Investment Corporation (CIC) 760 miljoen veil. En met Newtec, een pareltje in de ruimtevaartsector en gespecialiseerd in het ontwerpen, ontwikkelen en produceren van apparatuur en technologieën voor satellietcommunicatie, halen de Chinezen een strategisch bedrijf binnen. Naar schatting 65 ‘Belgische’ bedrijven zijn volledig of gedeeltelijk in Chinese handen.

Amerikanen kicken op digitaal

Amerikaanse scale-upfondsen zwemmen in het geld. Aangezien Silicon Valley ook zijn beperkingen kent (zie mijn bijdrage in FDmagazine, februari 2019, ‘Geldt Silicon Valley nog als benchmark?’) zoeken Amerikaanse fondsen opportuniteiten op het Europese continent. Hun target zijn bedrijven die op korte termijn veel geld waard moeten zijn en waar de durfkapitalist een mooie opbrengst kan realiseren. Belgische bedrijven zijn hiervoor uitstekende prooien. Gezien de meeste Amerikaanse fondsen diezelfde strategie ontplooien, is er een opwaartse druk op de prijzen. De grootste driver van al die overnames zijn de bergen cash waar de grote, hoofdzakelijk Amerikaanse fondsen op zitten. Eind 2018 bedroegen de dry funds (fondsen die kunnen worden geïnvesteerd op basis van vastleggingen van investeerders) in buy-outfondsen 600 biljoen dollar en in groeifondsen 250 biljoen dollar (Preqin Update). Wie zich verliest in de grootteorde: samen hebben ze ongeveer het dubbele van het BBP van België klaarliggen. Onwaarschijnlijk!

Financiering met vreemd vermogen

Om die cash effectief op te souperen, zijn heel wat deals nodig. Immers – ironie van het verhaal – de lage intrest maakt dat ook deze deals hoofdzakelijk worden gefinancierd met vreemd vermogen. Deze zogenaamde hefboomdeals houden in dat voor de overnameprijs slechts een equityinbreng nodig is van 22 procent, de rest is schuldfinanciering. Dat kan, want de bedrijven die worden gekocht zijn winstgevend en hebben bijgevolg een terugbetalingscapaciteit. Vijf jaar geleden moesten de durfkapitalisten nog 35 procent ophoesten, of meer dan de helft meer. Op een deal van een half miljard maakt dat een verschil in equity van 65 miljoen euro. Blijkbaar hebben de banken geen lessen uit de crisis getrokken en zijn ze zeer soepel in het financieren van deze hefboomconstructies.

Ook ‘startende’ groeiers

Waar de hefboom minder speelt, is bij de overname van bedrijven die zich nog in hun incubatiefase bevinden en waar aanzienlijke winsten nog een (onzeker) toekomstperspectief vormen. Zij hebben veel geld nodig om onderzoek te financieren of de internationalisering zeer snel te realiseren. Van de tien grootste kapitaalinjecties in Belgische snelgroeiers, zijn er vijf afkomstig van … jawel, Amerikaanse fondsen. Ze luisteren naar de namen Iteos, Collibra, Showpad (dat tweemaal geld ophaalde in 2018) en Datacamp. Samen zijn ze goed voor 350 miljoen euro vers geld, de helft van de totale fondsen die vorig jaar naar de Belgische groeibedrijven vloeiden (en slechts 0,15 procent van de voor groeifinanciering beschikbare dry funds). Dat is natuurlijk goed nieuws, want dat brengt nog meer knowhow naar deze talentvolle bedrijven. Bovendien is het niet zo evident om dergelijke bedragen op Europese bodem te vinden: in Europa bedraagt de gemiddelde grootte van een durfkapitaalfonds 65 miljoen euro en een fonds mag niet meer dan tien procent van zijn vermogen in één onderneming investeren. In die zin zijn de Amerikaanse fondsen noodzakelijk.

Niet al goud …

Dat is natuurlijk allemaal heel goed nieuws voor de verkopende bedrijven. De keerzijde van de medaille is dat daardoor de meest goeddraaiende of veelbelovende ‘Belgische’ bedrijven in handen komen van buitenlandse investeerders. Buitenlandse groepen nemen de beslissingen en bepalen de strategie. Kijk maar naar het hobbelige parcours van Ontex, Balta of Taminco om te weten wat dat betekent. En wie kan de Belgische of zelfs Europese toekomst voorspellen van bedrijven zoals Volvo Gent of Collibra?