Goede regelgeving maar onvoldoende gebruikt?

3 januari 2022

Op 1 februari 2022 treedt in België een nieuwe, interessante wet in voege. De betalingstermijnen tussen bedrijven wordt nu definitief - met het sluiten van de achterpoortjes - aan banden gelegd. Er komt een maximale termijn van zestig dagen (netto), zonder eenzijdige interpretatie. De wet is een verdere aanpassing, nadat in 2020 al een verstrenging was ingevoerd. Daarbij was er sprake van ‘kmo’s’ versus ‘grote ondernemingen’, wat voor een moeilijke toepasbaarheid zorgde. Niettemin was dat al een stap vooruit. De opeenvolgende versies van de al bestaande wetgeving waren telkens zeer welkom, maar vonden nog altijd te weinig ingang.

Het is een goede zaak dat deze wetten er komen. We weten dat vele overheden terughoudend zijn om tussen te komen in het vrije handelsverkeer. Toch is het hun rol om bij te sturen waar het nodig is. Alles is begonnen met een Franse wetgeving in 2008 die paal en perk moest stellen aan het erg oplopende machtsmisbruik (in de wettelijke taal: ‘kennelijk onbillijk’ gedrag, ook grossly unfair genoemd). Daarop heeft de Europese Unie een Directieve uitgevaardigd, met zeer lovenswaardige principes, (met name de DIR 2011/7/EU), waarop de EU-overheden die in nationale wetgeving omzetten. De meeste landen hebben de rechtvaardiging en bewoordingen van de wet min of meer letterlijk overgenomen, wat de uniformiteit ten goede komt. Enkele Scandinavische landen hebben zelfs een strengere versie gemaakt. Maar deze Directieve liet nog te veel ruimte voor willekeur en creëerde geen controlemechanismen. Een aantal landen heeft daarom strengere aanpassingen uitgevaardigd. Dat was al zo in Spanje, naderhand ook in Nederland, België en Kroatië. Het wordt hierdoor duidelijk voor alle spelers waar de ‘billijke’ verhoudingen liggen.

Toch is het niet allemaal rozengeur en maneschijn. Er zijn randbemerkingen. De opeenvolgende Belgische wetgevingen zijn telkens nogal onopgemerkt gebleven. Deze regelgeving blijkt in veel bedrijven dikwijls niet of maar matig bekend. Als ze al gekend is, wordt ze ook dikwijls niet toegepast. Meestal wordt dan beweerd dat ze niet voldoende sterk staan bij onderhandelingen met klanten. Er is dan ook nood aan een controle-organisme. In Frankrijk is de wet zeer strikt en is daar tot in de puntjes geregeld, op een zeer logische en consequente manier. Er zijn wel degelijk controle-agentschappen, met de autoriteit om zware boetes uit te schrijven, wat ook actief gebeurt. En toch blijken ook daar veel bedrijven er niet in te slagen ze toe te passen. Meer dan een kwart van de klanten betaalt nog altijd later dan de wettelijke voorzieningen, maar dat kan ook met het betaalgedrag te maken hebben (days taken), nadat ze wél de juiste termijnen hanteerden (days given).

De reden schijnt onder andere te liggen bij het gebrek aan autoriteit van de creditprofessional. Als de wetgeving al bekend is bij de financiële verantwoordelijke, dan is het dikwijls niet hij of zij die voorwaarden onderhandelt met de klant. Die kennis wordt maar beperkt overgedragen aan de verkopers, die bij hun onderhandelingen eerst aandacht besteden aan de klassieke productmix en eerder geneigd zijn toegevingen te doen op bijvoorbeeld de betalingsvoorwaarden, die soms buiten hun targets vallen. Zo was ik laatst getuige van onderhandelingen met een sterke tegenpartij, die op zijn beurt te maken had met een Europese overheidsklant. De uiteindelijk onderhandelde voorwaarden waren zeer nadelig, vooral wegens een afwezigheid van enige kennis van de wettelijke voorzieningen.

Het is nochtans perfect mogelijk om deze regelgeving met groot succes toe te passen binnen de eigen organisatie, zo getuigen toch veel creditprofessionals.