Ons pensioenstelsel is niet duurzaam, zegt Mercer

10 december 2021
Tekst
Jo Cobbaut
Beeld
Shutterstock
Ons pensioenstelsel is niet duurzaam, zegt Mercer

Het Belgische pensioenstelsel is van middelmatige kwaliteit. Specialist Mercer zet het 17de in zijn Global Pension Index met 42 andere landen. Vooral de duurzaamheid van het Belgische pensioensysteem scoort erg slecht.

Pensioenstelsels over de hele wereld moeten afrekenen met sociale, economische en financiële gevolgen van toenemende vergrijzing. Daar kwam in 2020 en in 2021 ook nog de impact van de COVID-19 pandemie bovenop. Ook de beperkte loonstijging, de historisch lage rentevoeten en de lagere opbrengsten uit beleggingen zetten bijkomende druk op de pensioensystemen.

Houdbaarheid

Het pensioenstelsel in ons land krijgt een matige score, vooral doordat het Belgische systeem niet duurzaam is. “Ons systeem begint bijzonder duur te worden: door de vergrijzing en doordat steeds minder werkzame personen bijdragen tot de ‘financiering’ - via de belastingen - van de huidige pensioenen, zo stelt Franky Stevens, Hoofd van het Actuariële Team bij Mercer. “Bovendien zorgt de lage gemiddelde pensioenleeftijd, 62 jaar, ervoor dat mensen vroeger pensioen ontvangen en dus niet meer bijdragen tot het systeem. Gecombineerd met de langere levensverwachting leidt dat tot extra kosten.”

Integriteit

Anderzijds scoort ons pensioenstelsel wel beter dan dat in onze buurlanden op het vlak van ‘integriteit’: het is volgens de analyse van Mercer het op vier na betrouwbaarste systeem in de korf. De Belgische pensioenwetgeving zorgt voor veel rechtszekerheid en goede bescherming vanuit de overheid naar alle pensioenpijlers toe.

De verschillende pensioensystemen, zowel de tweede, derde als vierde pijler, houden significante risico’s in. Mercer formuleert daarom enkele aanbevelingen om het Belgische pensioenstelsel op te waarderen.

In de eerste plaats moeten mensen langer werken om langduriger bij te dragen aan het pensioensysteem. Door langer te werken is de periode ook korter dat ze pensioen ontvangen, dus liggen de kosten lager.

Daarnaast is er het voorstel van de minister van pensioenen dat er, via de werkgevers, voor iedereen met een tweede pijler pensioenplan een minimale premie moet komen. Die hogere premies geven een groter kapitaal op pensioenleeftijd in de tweede pijler. De mediaan vandaag ligt volgens cijfers van de FSMA voor een 65-jarige op 9.118 euro, wat na een loopbaan van 40 jaar erg weinig is.

Bovendien moet er meer aandacht zijn voor de manier waarop dat kapitaal wordt uitgekeerd: in één keer de volledige som, of in maandelijkse rentes? Die laatste keuze biedt zekerheid op een inkomensstroom tot je komt te overlijden, wat interessanter is dan de risico’s van het in een keer uitbetalen.

Tekortkomingen van de derde pijler

Verder moet België werken aan de derde pijler, het populaire ‘pensioensparen’. In dat systeem kan je slechts 1000 euro per jaar sparen en op het eindkapitaal moet de begunstigde nog belastingen betalen. Dat doet het jaarlijkse fiscaal voordeel tijdens de jaren van kapitaalopbouw volledig teniet en daar houden veel spaarders geen rekening mee.

En tot slot is er de vierde pijler, het individueel sparen. Van alle landen in de Global Pension Index sparen de gezinnen in ons land het minst. Tegelijk sluiten we meer en meer leningen af. De lange periode met zeer lage rentevoeten was daar niet vreemd aan. Maar ondertussen moet ons netto-vermogen wel stijgen met het oog op een comfortabel pensioen. Zeker met de stijgende rente en de populariteit van leningen aan variabele rentevoet, dreigt dat nog voor onaangename verrassingen te zorgen bij het aflossen van die leningen.

Franky Stevens ziet hier ook kansen: “Ondanks alles is het nu het goede moment om pensioenhervormingen door te zetten. Mensen zijn meer en meer verantwoordelijk voor hun inkomen na hun pensioen. Daarvoor moeten ze kunnen terugvallen op sterke regelgeving en governance om hen hierin te ondersteunen en beschermen.”