Productiviteit: de redder in nood?

1 december 2020
Tekst
Rudy Aernoudt
Productiviteit: de redder in nood?

Macro-economisten zitten met de handen in het haar. Naar schatting werden dit jaar reeds vier triljoen dollar fiscale stimuli in de markten gepompt, wat leidt tot gigantische begrotingstekorten (tot zeventien procent van het bbp). De enige impact lijkt te zijn dat we de nefaste invloed van covid-19 een beetje kunnen neutraliseren. In plaats van één op drie gaat slechts één op zes van de bedrijven failliet, berekende Graydon voor België. Ook de monetaire bazooka – 1,2 triljoen euro in Europa – leidt eerder tot deposito’s van de banken bij de centrale bank dat tot een reële impact op de economie. Het is dus eerder een boemerang dan een bazooka.

Economie op de rails

Niet de werkgelegenheidsgraad, maar de productiviteit is de parameter die we moeten bewerken, stellen nu heel wat economisten. De groei van de economie is immers functie van het aantal personen dat aan de slag is en hun arbeidsproductiviteit. In een formule gegoten, ziet dat er zo uit: groei bbp = toename tewerkstelling x toename bbp/tewerkstelling. Het bbp gedeeld door de tewerkstelling is de arbeidsproductiviteit.

De groei die we kenden in de jaren zeventig en tachtig is hoofdzakelijk het gevolg van productiviteitsgroei – tot vier procent in topjaren – en minder het gevolg van meer arbeiders aan het werk. Om onze economie op de rails de krijgen, is de productiviteitsgroei dus de laatste redder in nood. Tot daar de theorie.

Grenzen aan de productiviteitsgroei

De productiviteitsgroei kent echter zijn grenzen. Onze Europese economieën – die steeds meer diensteneconomieën worden – hebben de laatste twintig jaar een zeer beperkte productiviteitsgroei gekend, schommelend tussen één en anderhalf procent. Die groei dreigt zelfs volledig weg te ebben. Artificiële intelligentie en augmented labour, het beter afstemmen van mens op machine (lees: robot), kunnen nog wat marge creëren, maar veel rek zit er niet meer op. Bovendien houdt de lage of negatieve intrest, een neveneffect van de bazooka, de zombies langer in leven. Dat heeft een nefaste impact op de productiviteit van een regio.

Overcapaciteit

Stijgende productiviteit leidt ook tot overcapaciteit. De autosector is een zeer productieve sector. De meeste autobedrijven – met uitzondering van Volvo Gent en gedeelten van Audi Vorst – hielden het in Vlaanderen voor bekeken. De wet van Jean-Baptiste Say (ieder aanbod creëert zijn vraag) bleek immers de praktijktoets niet te doorstaan. Schrootpremies, marketingcampagnes en geprogrammeerde ouderdom (obsolescence) moeten de vraag aanzwengelen. Toch eigenaardig dat een economie op instorten staat als mensen alleen maar zouden kopen wat zij nodig hebben, merkt de Chinese beurshandelaar Tan Liu op.

Productiviteit: een complex begrip

België behoorde lang tot de productiefste landen ter wereld en bekleedt nog steeds een zeer mooie plaats in de Oeso-landen (zie tabel): we staan op plaats vier, na Ierland, Luxemburg en Noorwegen en net voor de Verenigde Staten. De Belg is per uur vijf procent productiever dan de gemiddelde Amerikaan. Mooi. Deze productiviteit vertaalt zich echter niet in gemiddelde welvaart per inwoner, omdat de werkenden minder uren werken en ons land heel wat niet-werkenden meesleept. De werkweek is immers vrij kort en er zijn veel vakantiedagen.

De werkende Belg werkt gemiddeld 1.562 uur per jaar, zijn Amerikaanse evenknie 1.842 uur, of achttien procent meer. De Amerikaan heeft nog nooit van een 38-urenweek gehoord. De Luxemburger werkt 1.745 uur, of 11 procent meer. Daarmee is de productiviteitswinst per arbeider al volledig verdwenen. Bovendien is de participatiegraad heel laag. Hoge productiviteit is misschien een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde voor welvaart.

Laag arbeidsvolume

Als we het bruto binnenlands product verdelen over de volledige actieve bevolking (18 tot 65 jaar), dan tellen ook de 400.000 werklozen, de 400.000 langetermijnzieken en de 1,4 miljoen niet-actieven mee. De hoge productiviteit wordt dus in termen van economische groei meer dan geneutraliseerd door een laag arbeidsvolume. Wat het nog complexer maakt: studies tonen aan dat een stijging van de participatiegraad leidt tot een daling van de productiviteit. Als de participatiegraad stijgt met één procent, onder meer door de inzet van minder productieve arbeidskrachten, daalt de productiviteit met 0,4 tot 0,5 procent. Daardoor stijgt de welvaart, gemeten door het bbp, minder snel dan de stijging van de participatiegraad. Deze trade-off maakt het alleen maar moeilijker. Verdere innovatie is belangrijk, maar zal zich pas in welvaart vertalen als we erin slagen meer mensen langer aan het werk te krijgen.