Op een hellend vlak

1 december 2022
Tekst
Geert Vuylsteke
Beeld
Foto door Nataliya Vaitkevich - pexels
Op een hellend vlak

De fiscus verwacht dat belastingplichtigen de regels nauwkeurig volgen en zich in regel stellen met de wetgeving. Mag je dan van een fiscale administratie niet hetzelfde verwachten, vraagt gastauteur Geert Vuylsteke zich af. De auteur heeft twintig jaar fiscale ervaring in internationale ondernemingen.

Groot was de verbazing toen de fiscale wereld eerder dit jaar kennisnam van een voorontwerp van wet, voorbereid in het kader van een tweede actieplan ter bestrijding van de fiscale en sociale fraude. De onderzoeks- en aanslagtermijnen voor directe belastingen zouden volgens dat voorontwerp standaard van drie naar tien jaar gaan voor zogenaamde ‘complexe aangiften’. De wetgever omschreef dit nieuwe concept dermate ruim dat zowat elke internationale onderneming geviseerd werd. Onbedoeld allicht ontstond de connotatie met fraude.

Je zal zo’n boodschap als Belgische dochtervennootschap maar moeten overbrengen aan je buitenlandse hoofdkantoor waar net een belangrijke investering op tafel ligt: als je een fiscale zaak nu aanhangig wenst te maken bij het Hof van Beroep Brussel, krijg je een pleitdatum in – hou je vast – 2035. Wat als je te maken krijgt met een agressieve controleur? Ga je dan een onredelijk akkoord aan omdat je weet dat het alternatief een jarenlange uitputtingsslag is?

Bovengenoemde maatregelen worden verondersteld een oplossing te bieden voor een probleem dat uiteindelijk niet tot zijn root cause wordt herleid.

Tot dat besef is de regering intussen ook (deels) gekomen en het voorontwerp is bijgestuurd. Het plan is nu om de voormelde termijnen uit te breiden naar zes jaar voor onder meer onderzoek van verrekenprijzen van vennootschappen die onderworpen zijn aan internationale rapporteringsverplichtingen, maar ook vennootschappen die een beroep doen op een vrijstelling of vermindering van roerende voorheffing. Ook kleine groepen komen dus in het vizier. Daarnaast zou de uitbreiding van de termijn naar tien jaar blijven gelden voor fraude, alsook voor bepaalde ‘complexe aangiften’, zijnde hybride mismatches, CFC (Controlled Foreign Company) en juridische constructies.

De bewaartermijn voor documenten wordt standaard op tien jaar gebracht. Deze maatregel gaat voorbij aan het feit dat in een snel evoluerende digitale wereld zich problemen kunnen stellen om data opnieuw op te roepen.

Belastingplichtige ondernemingen werden het voorbije decennium geconfronteerd met een steeds sneller veranderende (internationale) fiscale wetgeving, hoge complexiteit en onduidelijkheden. De standaard voor fiscale transparantie werd significant verhoogd met de invoering van allerhande rapporteringsverplichtingen, zoals master file, CbC-rapportering (country by country), verrekenprijsstudies, DAC6 (EU-regels over het verplicht rapporteren van grensoverschrijdende regelingen). Je zou denken dat de fiscus hiermee over de nodige gegevens beschikt om gericht en efficiënt te controleren. Toch ziet de belastingplichtige zich, ook na de bijsturingen, geconfronteerd met een verdubbeling van de periode van fiscale onzekerheid, zonder rekening te houden met de gerechtelijke achterstand.

De fiscus verwacht dat belastingplichtigen de regels nauwkeurig volgen en zich in regel stellen met de wetgeving. Mag je dan van een fiscale administratie niet hetzelfde verwachten? Mag je verwachten dat de dienst efficiënt georganiseerd is, met goed opgeleide medewerkers, en in staat is gegevens vlot te verzamelen en binnen een aanvaardbare tijd te analyseren? En mogen zowel belastingplichtigen als administratie van een wetgevende overheid verwachten dat zij duidelijke, eenvoudige wetgeving aflevert, die rekening houdt met opmerkingen van niet alleen de Raad van State, maar ook van de stakeholders?