Waarom niet elk bedrijf moet schalen

Foto
Radhika Singh, Founder Indikon
Ze begon haar carrière als advocaat gespecialiseerd in handels- en mededingingsrecht, maar vond haar echte roeping in sociaal ondernemerschap. Met Indikon bouwt Radhika Singh vanuit Brussel aan een onderneming die cultureel erfgoed, ambacht en maatschappelijke impact samenbrengt. Vanuit haar Indiase roots en internationale netwerk werkt ze samen met makers van Afghanistan tot Mexico en stelt ze fundamentele vragen over hoe we produceren, consumeren en waarde creëren. Een gesprek over duurzame groei, bewust ondernemerschap en waarom winst slechts één onderdeel van succes is.
Je bouwde een purposegedreven onderneming uit. Wat heeft die overstap je geleerd over het creëren van economische en duurzame waarde die verder gaat dan winst?
Het idee om een purposegedreven onderneming op te richten leefde al veel langer. Ik groeide op in India, waar de ongelijkheid tussen mensen bijzonder zichtbaar is. Mijn grootvader herinnerde me er voortdurend aan dat het een kwestie van geluk is waar je geboren wordt. Vijf kilometer verderop geboren worden, kan betekenen dat je niet dezelfde kansen krijgt op onderwijs, werk of persoonlijke ontwikkeling.
Die bewustwording heeft me altijd begeleid. Ik voelde dat ik iets wilde opbouwen dat meer deed dan winst genereren. Tegelijk wilde ik aantonen dat ambacht, erfgoed en werk op gemeenschapsniveau even relevant en aantrekkelijk kunnen zijn dan meer traditionele groeisectoren.
Mijn juridische achtergrond speelt daarin nog steeds een rol. Naast het ondersteunen van ambachtsgemeenschappen vind ik het belangrijk hen bewust te maken van hun rechten. Veel vormen van hulpverlening focussen terecht op basisbehoeften zoals voedsel, gezondheidszorg of onderwijs. Maar duurzame ontwikkeling vraagt ook dat mensen zelfstandig kunnen ondernemen, contracten begrijpen en hun intellectuele eigendom beschermen.
Voor mij draait ondernemerschap om het evenwicht tussen mens, planeet en winst. Vandaag ligt de focus nog niet op maximale winstgevendheid, maar op het bewijzen dat het model werkt. Mijn overtuiging is dat winst volgt wanneer je vanaf het begin investeert in mensen en duurzaamheid.
Wanneer moet dat model volgens jou financieel rendabel zijn?
Vandaag voorziet het bedrijf in mijn eigen inkomen en ondersteunt het de onafhankelijke makers met wie ik samenwerk. De volgende stap is dat het model ook ruimte creëert om bijkomende medewerkers in dienst te nemen.
Om verder te groeien zijn er in essentie twee mogelijkheden: bijkomend kapitaal investeren of externe investeerders aantrekken. Voor mij was het belangrijk om eerst helder te definiëren wat voor onderneming ik wilde bouwen. Pas wanneer je zelf weet welke richting je uit wilt, kan je op een constructieve manier met investeerders of partners in gesprek gaan.
Consumenten zeggen steeds vaker dat duurzaamheid belangrijk is, maar prijs blijft vaak doorslaggevend. Hoe kan een ethisch merk concurreren in een economie die goedkope productie blijft belonen?
Ik probeer mezelf niet te vergelijken met spelers zoals Shein of Temu. De markt is groot genoeg voor verschillende behoeften en consumentengroepen.
Wat wel veranderd moet worden, is het bewustzijn rond de echte waarde van producten. Mensen kijken vaak enkel naar het eindproduct, terwijl achter een eenvoudig katoenen kledingstuk een volledige economische keten schuilgaat. Iemand teelt de katoen, iemand oogst die, iemand verwerkt de vezels en iemand vervaardigt uiteindelijk het product.
Wanneer consumenten begrijpen hoeveel werk en expertise daarin kruipt, verandert hun perceptie van prijs vaak volledig. Dan beseffen ze dat handgemaakte producten eigenlijk verrassend betaalbaar zijn.
Voor klanten die bewust kiezen voor transparantie, vakmanschap en traceerbare productieketens blijkt prijs meestal minder bepalend. Zij begrijpen waarvoor ze betalen.
Ondernemers worden vaak aangemoedigd om zo snel mogelijk op te schalen. Moeten we onze kijk op groei en succes herdenken?
Absoluut. Impactgedreven ondernemingen functioneren fundamenteel anders dan bijvoorbeeld technologiebedrijven.
Ik werk met ambachtslieden die producten met de hand maken. Dat proces kan je niet zomaar verdubbelen of verdrievoudigen. Je kan iemand die vijf stuks per dag maakt niet vragen er plots dertig te produceren zonder de essentie van het vakmanschap te verliezen.
Bovendien pleit ik zelf voor tragere en bewustere consumptie. Dan zou het tegenstrijdig zijn om tegelijkertijd een agressieve schaalstrategie na te streven.
Groei ziet er voor mij anders uit. Ik heb nooit de ambitie gehad om een bedrijf uit te bouwen dat exponentieel moet groeien of investeerders binnen enkele jaren hoge rendementen oplevert. Dat past simpelweg niet bij dit model.
Veel van wat ik verkoop zijn geen noodzakelijke producten. Niemand heeft nog een extra servet of sjaal nodig. Wat mensen wel ondersteunen door die aankoop, zijn bestaansmiddelen, ambachtelijke kennis en cultureel erfgoed. Dat vraagt om een andere definitie van waardecreatie.
Duurzaamheid gaat dus ook over de levensvatbaarheid van je eigen onderneming?
Zeker. Ik wil niet dat mijn bedrijf binnen vijf jaar verdwijnt omdat het economisch niet houdbaar blijkt.
Handel in goederen bestaat al eeuwenlang. Ik probeer dat model niet opnieuw uit te vinden, maar wel op een meer menselijke manier in te vullen. Als mijn onderneming zou verdwijnen, verliezen ook de makers met wie ik samenwerk een deel van hun inkomsten. Daarom betekent duurzaamheid voor mij niet alleen ecologische verantwoordelijkheid, maar ook economische continuïteit.
Je werkt samen met makers uit verschillende delen van de wereld. Welke impact hebben geopolitieke spanningen, inflatie en handelsbeperkingen op jouw onderneming?
Die impact is zeer tastbaar.
Mijn eigen collectie wordt geproduceerd in India, maar in de winkel werk ik samen met merken uit onder meer Afghanistan, Griekenland, Portugal, Mali, Mexico, Syrië en Frankrijk. Daardoor word je voortdurend geconfronteerd met stijgende transportkosten, invoerrechten en geopolitieke onzekerheid.
Een concreet voorbeeld is onze samenwerking met vrouwelijke ambachtslieden in Afghanistan. Traditioneel kwam een deel van het zilver waarmee zij werken uit Pakistan. Door de huidige spanningen in de regio is dat moeilijker geworden, waardoor sommige grondstoffen vandaag zelfs vanuit Europa moeten worden ingevoerd.
Dat toont hoe sterk onze economieën met elkaar verweven zijn. Achter elk product schuilt een internationale keten waarvan consumenten zich vaak nauwelijks bewust zijn.
Hoeveel verantwoordelijkheid ligt bij consumenten om verandering te stimuleren, en hoeveel bij bedrijven en overheden?
Consumenten hebben absoluut invloed. Elke euro die je uitgeeft is uiteindelijk een stem voor een bepaald economisch model.
Tegelijk mogen we niet vergeten dat veel consumenten beperkte keuzes hebben. Gezinnen met een beperkt budget kunnen niet altijd kiezen voor de meest duurzame optie.
Daarom ligt de grootste verantwoordelijkheid volgens mij bij grotere bedrijven. Zij beschikken over de middelen om structurele verandering te realiseren. Tegelijk zie ik dat veel innovaties vandaag juist vanuit kleinere ondernemingen komen. Zij tonen dat alternatieven mogelijk zijn en helpen consumenten nieuwe keuzes ontdekken.
Europa wil graag een voortrekkersrol spelen op het vlak van duurzaamheid, maar veel ondernemers klagen over de toenemende regelgeving. Creëert Europa wel de juiste voorwaarden voor impactbedrijven om te groeien en te floreren?
Ik geloof oprecht dat Europa de ambitie heeft om wereldwijd een leidende rol te spelen op het gebied van duurzaamheid. Maar op dit moment is die ambitie nog niet volledig vertaald naar effectieve regelgeving.
Veel voorstellen zijn afgezwakt, waardoor de uiteindelijke regelgeving zich vooral richt op het verantwoordelijk houden van grotere bedrijven. Neem bijvoorbeeld de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD). Kmo’s en micro-ondernemingen zoals het mijne zijn vrijgesteld van verplichte rapporteringsvereisten, zodat zij niet worden overspoeld door administratieve lasten.
Voor een bedrijf zoals het mijne, dat samenwerkt met ambachtelijke gemeenschappen in Azië, Afrika en andere regio’s, ligt de uitdaging echter anders. De compliancekaders die in Europa worden ontwikkeld, of het nu gaat om certificeringen, due diligence-verplichtingen of rapporteringsvereisten, erkennen vaak eerder documentatie dan de praktijk zelf.
Een familieatelier in Gujarat dat al vier generaties lang een weeftraditie in stand houdt, doet precies wat we zouden moeten aanmoedigen. Het bewaart kennis, creëert eerlijke bestaansmiddelen, houdt een ambacht levend en is van nature duurzaam omdat het al zo lang bestaat. Toch beschikken dergelijke ateliers vaak niet over de uitgebreide documentatie die Europese compliancekaders verwachten.
Wanneer je werkt over verschillende landen en rechtsgebieden heen, elk met hun eigen normen en systemen, wordt die kloof alleen maar groter.
Wat ik graag zou zien, is niet minder regelgeving, maar een slimmere vorm van erkenning. We hebben kaders nodig die cultureel erfgoed, vakmanschap dat van generatie op generatie wordt doorgegeven, regeneratieve landbouwtechnieken en ambachtelijke gemeenschappen die zowel mens als natuur respecteren, erkennen als vormen van duurzaamheid, ook wanneer die niet netjes passen binnen een compliancechecklist.
Wat moet er veranderen om impactgedreven ondernemingen aantrekkelijker te maken voor investeerders?
Er zou meer ondersteuning moeten komen via subsidies of toegankelijkere financieringsvormen.
Daarnaast moeten investeerders hun verwachtingen rond rendement herbekijken. Impactondernemingen genereren vaak waarde op langere termijn. Dat maakt hen niet minder relevant. Integendeel: het zijn vaak net deze ondernemingen die bijdragen aan maatschappelijke verandering.
De uitdaging is dat veel bestaande investeringsmodellen nog altijd vertrekken vanuit snelle groei en snelle financiële returns.
Je bent bestuurslid bij #SheDIDIT. Hoe kijk je naar vrouwelijk ondernemerschap vandaag?
Ik heb zelf veel gehad aan het traject bij #SheDIDIT en vind het bijzonder waardevol om vandaag iets terug te kunnen geven.
Vrouwelijke ondernemers ontvangen nog steeds aanzienlijk minder investeringskapitaal dan mannelijke ondernemers. Daarnaast merk ik dat ondernemingen geleid door vrouwen soms minder snel als "serieuze bedrijven" worden beschouwd.
Veel vrouwelijke ondernemers vertrekken bovendien vanuit andere waarden. Hun focus ligt vaak niet uitsluitend op financiële groei, maar ook op maatschappelijke impact, duurzaamheid en langetermijnwaarde. Dat maakt hun ondernemingen niet minder ambitieus, alleen anders.
Als we elkaar over tien jaar opnieuw spreken, hoe ziet succes er dan uit?
Voor Indikon droom ik van een grotere ruimte waar retail, ontmoetingen en educatie samenkomen. Een plek waar mensen niet alleen producten kopen, maar ook leren over vakmanschap, duurzaamheid en bewuste consumptie.
Voor de bredere sector hoop ik dat meer ondernemingen vertrekken vanuit dezelfde driehoek: mens, planeet en winst. Niet als iets wat later wordt toegevoegd wanneer een bedrijf succesvol is, maar als een uitgangspunt vanaf dag één.
Ik hoop ook dat ondernemingen die die balans nastreven meer zichtbaarheid en ondersteuning krijgen. Want als het financieel haalbaarder wordt om op die manier te ondernemen, zullen meer mensen de stap durven zetten.
"Growth looks different when your business is built on people, not scale"
5K
Volg ons op Linkedin en sluit je gratis aan bij de grootste Finance-community van België.






